Solidariteitsoproepen

image HM

De kledingmerken die in Cambodja kleding laten maken hebben de macht om de lonen van de kledingarbeiders te verhogen. Als zij meer betalen aan hun toeleveranciers en hun aankooppraktijken aanpassen, wordt een leefbaar loon wél haalbaar. H&M is de grootste aankoper van kledij "made in Cambodia".  De Cambodjaanse productie voor C&A is dan weer beperkt, maar het bedrijf is wel één van de pleitbezorgers van samenwerking met andere bedrijven. Hoe geloofwaardig zijn ze?

H&M in Cambodja: veel mooie woorden

H&M promoot zichzelf graag als absolute voorloper op het vlak van ecologisch en ethisch verantwoorde kledij. H&M pakt uit met de 'Fair Living Wage Roadmap'. De Zweedse kledingreus heeft zich geëngageerd om 850.000 kledingarbeiders een 'eer­lijk leefbaar loon' te betalen tegen 2018. Een mooi engagement, dat zeker navolging verdient. Het recentste duurzaamheidsrapport van H&M kan echter geen cijfers voorleggen die bewijzen dat de Zweedse gigant reële vooruitgang heeft geboekt. H&M heeft proefprojecten opgezet in 3 fabrieken. In die fabrieken zijn ze de enige afnemer. Dat is een uitzonderlijke situatie, want in het overgrote deel van de 1923 andere fabrieken die voor H&M produceren is dat niet het geval. Hoe H&M de proefprojecten wil uitbreiden naar andere fabrieken is niet duidelijk. 

H&M noemt ook geen cijfers: het bepalen van de hoogte van het loon laten ze over aan de lokale dialoog: de werknemerscomités in de fabrieken moeten onderhandelen met de werkgevers. In een ideale wereld, waarin er echte vakbondsvrijheid is, beide partijen over dezelfde informatie beschikken en even sterk kunnen onderhandelen én de werkgevers financiële ruimte hebben om loonsverhogingen mogelijk te maken, kan dit zeker werken. Helaas is de realiteit helemaal anders: er is een grote vijandigheid tegenover vakbonden in landen als Bangladesh en Cambodja. Alleen H&M zal in 2018 kunnen evalueren of ze de doelstelling om 850.000 kledingarbeiders een eerlijk loon te betalen gehaald hebben. Niet erg transparant dus. Bovendien zijn het de kledingmerken die zaken bepalen zoals de prijs per stuk, de levertijd, … cruciale factoren die een rol spelen bij arbeids- en loonomstandigheden. Gezien zij zoveel contextfactoren bepalen is het logisch en noodzakelijk dat de merken mee aan de onderhandelingstafel gaan om tot akkoorden te komen met lokale vakbonden rond loon- en arbeidsvoorwaarden. 

In een interview in oktober 2015 stelt Kong Athit, vice-voorzitter van de kledingbond C.CAWDU: “H&M is zeker niet de slechtste van de klas, maar ze hebben vooral een uitgekiende public relations strategie. Mooie schijn over duurzaam ondernemen naar buiten toe, maar op ondernemingsniveau is daar bitter weinig van te merken. De ondernemingen die de orders van de grote ketens binnenhalen besteden de opdrachten (deels) uit. De kledingketens kijken de andere kant op en wassen hun handen in onschuld. Zij weten zogezegd van niks. Bij die onderaannemers is het echter huilen met de pet op. De huisvesting is erbarmelijk. Veiligheidsvoorschriften worden niet gerespecteerd. De arbeidsomstandigheden zijn schrijnend. Een ramp zoals in Rana Plaza in Bangladesh zou zich net zo goed in Cambodja kunnen voordoen." 

C&A in Cambodja: structurele verbeteringen blijven uit

Zowel H&M als C&A pakken uit met hun deelname aan het 'ACT-proces'. Begin dit jaar ondertekende een tiental internationale kledingbedrijven een 'Memorandum of Understanding on Living Wages' met de internationale vakbondsfederatie IndustriAll. In de MoU engageren de kledingbedrijven zich om een leefbaar loon te garanderen voor de werknemers in hun toeleveringsketen. Volgens de ondertekenaars moet dit gebeuren door een sociale dialoog mogelijk te maken op sectoraal niveau. De kledingbedrijven engageren zich om hun toeleveranciers naar de onderhandelingstafel te brengen, en om hun aankooppraktijken aan te passen. Er wordt onder meer ingezet op een verhoging van de productiviteit. Of er ook een verhoging komt van de prijs per stuk die het kledingbedrijf betaalt aan zijn toeleveranciers, wordt niet expliciet vermeld.

De MoU is een kader met algemene principes. In een volgende fase zouden onderhandelingen worden opgestart op nationaal niveau. In Cambodja zijn de eerste gesprekken opgestart, maar van echte onderhandelingen is er nog lang geen sprake. De kledingbedrijven en IndustriAll rekenen er immers niet op dat onderhandelingen op nationaal niveau snel opgestart kunnen worden. Eerst moeten de voorwaarden voor echte onderhandelingen geschapen zijn: een wettelijk kader, dat cao’s afdwingbaar kan maken ontbreekt. Zo wordt de bal teruggekaatst naar de Cambodjaanse regering. De kans dat de Cambodjaanse regering dit kader schept en controles uitvoert op de toepassing ervan, is zeer klein, zo niet onbestaande.

De onderhandelingen tussen vakbonden en werkgevers worden dus op de lange baan geschoven. Maar, zo zegt Kong Athit: “Je kan van de kledingarbeidsters die slechts met heel veel moeite overleven van hun minimumloon, niet vragen om nog enkele jaren te wachten op meer democratie.” Er is duidelijk nood aan een nieuwe strategie, die op korte termijn een impact heeft op de lonen van de Cambodjaanse kledingarbeid(st)ers. De campagne die lokale vakbonden nu voeren, gesteund door een brede internationale coalitie van vakbonden en NGO’s wil de druk op kledingmerken -en retailers opvoeren. Ze blijven nog te veel aan de kant staan. Pas als zij bereid zijn om mee te onderhandelen over hogere lonen en hun handtekening onder een loonakkoord zetten, wordt een echt leefbaar loon voor de kledingarbeiders realistisch.    

 

skc01